IJshockey wordt gespeeld op een baan van 200 bij 85 voet(US metrisch systeem) omgeven door planken en plexiglas/glas. Aan elk uiteinde staan twee doelnetten en een rode middenlijn verdeelt de baan.
Basisprincipes van het spel:
- Het spel begint: Het spel begint met een face off op het midden van het ijs, waar de scheidsrechter de puck laat vallen zodat de spelers kunnen strijden om balbezit.
- Passen en schieten: Spelers passen en schieten de puck met hun sticks om scoringskansen te creëren, met als doel de puck in het net van de tegenstander te krijgen.
- Buitenspelregel: Aanvallende spelers mogen niet in de zone van de tegenstander komen voor de puck. Als ze dat wel doen, stopt het spel en volgt er een face off.
- Icingregel: Teams kunnen de puck niet voorbij de doellijn van de tegenstander spelen zonder de puck aan te raken; als ze dat wel doen, wordt icing geroepen en stopt het spel.
- Straffen: Overtredingen zoals struikelen of slashing resulteren in straffen, waardoor spelers naar de strafbank worden gestuurd en het andere team een powerplay-voordeel krijgt.
- Keepen: De keeper gebruikt speciale uitrusting om schoten te blokkeren en doelpunten te voorkomen, en speelt een cruciale rol in het verdedigen van het net.