Schaken is een beurtspel voor twee spelers dat wordt gespeeld op een bord van 8x8. Elke speler bestuurt 16 stukken met als doel de koning van de tegenstander schaakmat te zetten. Elk stuk heeft unieke bewegingsmogelijkheden die tactische en strategische planning vereisen.
Opstelling schaakbord:
- 64 afwisselende velden, met stukken als volgt opgesteld:
- Torens in de hoeken
- Paarden naast torens
- Lopers naast de paarden
- Koningin op haar kleur
- Koning naast de koningin
- Pionnen op de eerste rij
- Basisregels:
1. Stukbewegingen:
- Pion: Gaat één veld vooruit, slaat diagonaal en kan twee velden bewegen op de eerste zet.
- Toren: Beweegt horizontaal of verticaal.
- Paard: Beweegt zich in een L-vorm (2 velden in één richting, 1 loodrecht).
- Loper: Beweegt diagonaal.
- Koningin: Beweegt zich als een toren en loper.
- Koning: Gaat één veld in elke richting, maar niet schaak.
2. Slaan en Schaak:
Stukken die geslagen worden door op de velden van de tegenstander te landen. Een schaak staande koning moet ontsnappen of worden beschermd.
3. Schaakmat en remise:
Schaakmat ontstaat als de koning schaak staat en niet kan ontsnappen. Schaakmat is remise als er geen legale zetten meer zijn maar de koning niet schaak staat.
4. Promotie:
Een pion die het einde van het bord bereikt kan promoveren tot elk stuk (behalve de koning).